Schaakvereniging?

In het clubblad in oktober 1991 beschreef Herman Steur het ontstaan van de schaakvereniging Mook. Hij artikel begon het als volgt:

“Er is een moment geweest dat er in Mook een schaakclub ontstond, onze club! De nevelen van de voortgaande tijd hebben dat ogenblik allang aan ’t oog onttrokken. Niettemin is het misschien de moeite waard die mist even te laten optrekken en de baby- en kleutertijd van onze club in kaart te brengen.

Schaken in Mook? ’t Lijkt haast met zichzelf in tegenspraak! Mook: eeuwenlang een stipje op de kaart, een plaatsje dat lange tijd slechts doodarme keuterboertjes, bezembinders en smokkelaars herbergde, een plaats waar intussen veel ten goede veranderd is, maar waar vooral bij de autochtonen ambachtelijk werk terecht in hoog aanzien staat en waar toch eerder als ’n luxe wordt beschouwd, die nu eenmaal geen brood op de plank brengt.

Niettemin, ’t schaakbloed kruipt waar ’t niet gaan kan! In de St. Antoniusstraat woonden in de zestiger jaren drie jongemannen als buren naast elkaar. In hun onderlinge contacten merkten ze al gauw hun gemeenschappelijke liefde voor het schaakspel. De zomer van 1969 liep ten einde, de herfst naderde, dat donkere jaargetijde dat zo geschikt is voor het beoefenen van denksporten. En toen kwam het grootste moment: één van de drie – Albert Cremers – sprak zich uit voor het oprichten van een schaakclub. De twee anderen Henk Kersjes en Peter Lem – vielen hem onmiddellijk bij.”

Het schaken past misschien in die jaren zestig niet bij het meest noordelijke Limburgse dorpje, maar toch was er in die jaren enig enthousiasme onder de dorpsbewoners te vinden. Het vond zijn oorsprong in 1967. In dat jaar werden de eerste huizen in de St. Antoniusstraat opgeleverd en bewoond door nog jonge echtparen. Peter en Diny Lem bewoonden het pand met huisnummer 12, Henk en Coby Kersjes woonden 2 huizen verderop op nummer 16 en Albert en Mia Cremers woonden weer daarnaast op nummer 18. Gedurende twee jaar troffen de jonge mannen zich achter het schaakbord. Met name Albert Cremers en Henk Kersjes beproefden hun krachten op het schaakbord. Na twee jaar ontstond blijkbaar de behoefte om hun speelsterkte te testen met andere Mookse krijgsheren. De heren besloten te onderzoeken of een schaakvereniging in Mook levensvatbaar kon zijn. In De Gelderlander, regio Nijmegen en omstreken, verscheen op vrijdag 5 september het volgende bericht:

Wanneer de jonge mannen die de vergadering hebben uitgeschreven die avond om 20 uur in het gemeenschapshuis van Mok komen voeden zij zich bedrogen. Er is door de beheerder, Sjef Piepenbroek geen rekening gehouden met de komst van de schakers, ondanks dat dit wel was afgesproken. Naast de drie schakers uit de St. Antoniusstraat zijn er nog 6 belangstellenden op de oproep afgekomen. Maar waar moest men gaan vergaderen? Er zit niets anders op dan op het podium van de gymzaal te gaan zitten. Alles werd opzij geschoven en de gordijnen die het podium van de zaal scheidden worden dichtgetrokken, omdat in de zaal de dames uit Mook aan gymnastiek deden. Daarna werd er ongestoord vergaderd en er was voldoende belangstelling om een schaakclub te gaan oprichten. Er werd die avond al gesproken om een jeugdafdeling op te richten!

Maar mede in verband met het gebrek aan schaakmateriaal werd hier voorlopig van af gezien. Voor wat het materiaal betreft, was men aangewezen op het bord en de stukken die de leden van huis dienden mee te nemen. Over de contributie en de speelgelegenheid werd die avond overeenstemming bereikt en aldus werd de SV Mook die avond, de 9e september 1969 opgericht!

Maar het verhaal van die avond is daarmee nog niet ten einde! De negen kandidaat leden voelden zich namelijk beledigd door de ontvangst in het gemeenschapshuis en spraken uit nooit meer terug te keren in het gemeenschapshuis. Albert Cremers en Henk Kersjes gingen na de vergadering niet huiswaarts, maar zij gingen op zoek naar een goede speellocatie voor de schaakvereniging!

Er waren in Mook twee opties. De eerste was het kleine cafeetje Berg en Bos aan de Rijksweg, waar melkboer Thoonen verbleef. Het café was maar zelden open. In die tijd moest een café veel vroeger dan nu de deuren sluiten. Het sluitingstijdstip lag rond de klok van elf uur. Zo kwam de melkboer toch nog aan zijn uurtjes slaap.

Een betere gelegenheid was de Poort van Limburg waar Theo Verheijen dat jaar de zaak van zijn vader had overgenomen. Albert en Henk gingen aan de bar zitten en besproken onder het genot van een borrel met Theo de mogelijkheid om in de Poort van Limburg elke dinsdagavond te gaan schaken. Theo bood direct het kleine zaaltje aan. Er was echter voor de twee oprichters van de schaakclub nog een klein probleempje. De club was zeer jong en had geen cent te makken. Theo deed hier niet moeilijk over en bood de zaal kosteloos aan.

Een week later, dinsdagavond 16 september 1969 werden de eerste wedstrijden daar gespeeld. De uitslagen van die avond; Linders – Kersjes 1-0, Verschuren – Lem ½-½, Hendriks – Creemers 0-1, Kersjes – Linders 1-0, Steur – Cremers 1-0.

De club had na enige weken al 12 leden, onder hen, zo is met enige trots te lezen in De Gelderlander van 23 september 1969, een lid uit Malden! Op 7 oktober werden de eerste competitiewedstrijden gespeeld en er doken nieuwe namen op in de uitslagen: Dominicus, Roijen en Dorenbosch. De eerste zo blijkt uit de uitslagen kon wel degelijk een potje schaken. Zo moesten Henk Kersjes en Peter Lem hun koning omleggen tegen hem.

De leden hadden in het verleden nooit eerder gespeeld bij een schaakclub. Daarom stonden de belangrijkste regels op een papiertje

Reglement

1. Indien men eenmaal een stuk heeft aangeraakt is men verplicht hiermee een zet te doen. Heeft men het stuk eenmaal losgelaten dan mag de zet niet meer veranderd worden.
2. en passant slaan blz. 37
3. rokeren blz. 34
4. wanneer remise blz. 32

Om aan de wens van verschillende leden tegemoet te komen, werd de clubavond in januari 1970 de donderdag in plaats van de dinsdag. In februari 1970 werd de eerste helft van de competitie afgerond. Er namen negen spelers aan deel: Herman Steur, Henk Kersjes, Albert Cremers, Peter Lem, Han Kruyt, Peters, Toon Hendriks, Linders en Kortenhof. De heren Polman en Roijen speelden niet mee, maar zij speelden vriendschappelijke wedstrijden.

De eerste periode werd gekenmerkt dat de schakers met het bord en de stukken onder de arm het café binnenkwamen en in het bijzaaltje schaakten en elkaars speelsterkte ging bepalen.

De contributie bedroeg 2 gulden per maand. Elke cent van de contributie werd benut om materiaal te gaan aanschaffen. Destijds was geen enkel lid ingeschreven bij de KNSB. En zo was het niet mogelijk om in een regionale competitie uit te komen. Toch werden de krachten al met andere verenigingen gemeten. De eerste wedstrijd, 11 november 1969, vond plaats tegen Boxmeer. Dat het juist tegen Boxmeer gebeurde was niet zo vreemd. Henk Kersjes had vele broers en één van hen, Piet Kersjes, speelde in Boxmeer. De wedstrijd werd door Mook met 8-1 verloren.

Er werden echter veel meer wedstrijden gespeeld en van enkele vriendschappelijke wedstrijden werd in De Gelderlander verslag gedaan. Zo speelde men eind januari 1970 in Gennep tegen het B-team van de plaatselijke club. Er werd met 3½ - 5½ verloren. Albert Cremers, Han Kruyt en Peter Lem wonnen en er was een remise voor Henk Kersjes. Wiel Beuming is ook van de partij. Hij nam later deel aan de tweede helft van de competitie. Voor het verlies had men een goed excuus: de spelers van de SV Mook speelden voor het eerst met een klok en dat was wel even wennen!

Het spelen zonder klok had het nadeel dat een partij nogal flink kon uitlopen. Daar werd spoedig verandering in aangebracht. Via het anjerfonds werden de nodige guldens binnengehaald en zo ontstond de mogelijkheid om schaakklokken te gaan aanschaffen. Albert Cremers had van de schaakclub uit Groesbeek begrepen dat in Duitsland tegen een goede prijs klokken konden worden aangeschaft. Hij toog de grens over en kocht in Bucholt de klokken en keerde daarna weer huiswaarts. Waren er toen in Mook echt smokkelaars?

De oprichters van de club woonden in de St. Antoniusstraat op nummer 12, 16 en 18. Werd dan op nummer 14 niet geschaakt? Ja wel. Daar woonden Stan en José Gipman. Stan was wel bij de schaakclub betrokken maar hij is nooit lid geworden. Zijn buurmannen konden bij hem na de schaakavond terecht. Onder het genot van een bord warme soep werd er nagekaart over de schaakavond.

Voordat de tweede helft van de competitie van start ging deed men een oproep in De Gelderlander, waarin niet alleen heren maar ook dames van harte welkom waren.

De competitie werd regelmatig onderbroken door feestdagen en wedstrijden tegen naburige schaakverenigingen. Van de tweede ontmoeting tegen Gennep en de wedstrijd tegen PION zijn geen verslagen teruggevonden. Eind maart speelt men tegen Het Kasteel uit Grave. Er werd met 3 – 6 verloren. Kortenhof verloor als eerste en nog wel van een vrouw! Ook Peter Lem verliest van Dominicus die eerder in Mook een enkel partijtje meespeelde.

Winst was er voor Henk Kersjes en Roijen. Herman Steur behaalde een gelijkspel. En de tweede remise kwam op naam van Stan Gipman, die blijkbaar door zijn buurmannen was overgehaald om mee te spelen.

Op zondag 15 februari organiseerde P.I.O.N., de schaakclub uit Groesbeek in Hotel Gelria een simultaan, die gegeven werd door de Deense grootmeester Bent Larsen, die zo juist een groot toernooi in Mallorca winnend had afgesloten en door de schrijver van Jeugdschaak, Berry Withuis.

Van de SV Mook deden de bestuursleden mee. Henk Kersjes speelde tegen Berry Withuis en Albert Cremers tegen Bent Larsen. De simultaangevers toonden hun superioriteit, reeds na tien zetten was het krachtsverschil aangetoond. Er werd aan veel borden geschaakt. Withuis schaakte “aan de lopende band” tegen 89 tegenstanders. Larsen tegen 75 schakers. Na 3½ uur was men klaar. Wim Willems een elf-jarige Groesbeker behaalde een remise tegen Withuis, die tegen Kok (Venray) en Selten (Boxmeer) verloor. Bent Larsen leverde een buitengewone prestatie door alle 75 partijen te winnen!

Albert Cremers ervoer in de onderstaande partij de kracht van de grootmeester. De voorzitter van de schaakclub heeft wel een vrijpion op de h-lijn, maar hij krijgt geen kans om deze ver te laten oprukken.