Kiste Trui

Het verhaal van Kiste Trui zit ingepakt tussen het visioen dat vijf wachters op de Utrechtse wallen op de voorhand zouden hebben gehad over de slag op de Mookerheide in het jaar 1574 en het visioen van een blinde ziener Johannes die in de toekomst een geweldige veldslag ziet op diezelfde heide waaraan Spaanse ruiters zullen deelnemen en "roodrokken", zwarten uit Afrika en heidenen uit het oosten. Een koning zal op zijn ros vluchten over de brug te Mook, de ros verliest een van zijn hoefijzers, een smid wil het gaan beslaan, maar de vijand zit de koning zo dicht op zijn hielen dat hij moet vluchten, voordat de hoefsmid zijn werk kan doen. Aldus o.m in het Nederlandse Sagenboek van J.W.R. Sinninghe waaraan enkele gegevens zijn ontleend.

Het leven van Kiste Trui, een Middelaarse, is helemaal opgegaan aan het verhaal over een kist, een schatkist waarin de krijgskas van Lodewijk en Hendrik van Nassau zou zijn opgeborgen. Toen de nederlaag van de Nassauers zich al aankondigde, werd de kist in de grond begraven en dat zou zijn gebeurd rond een Mook-Middelaarse wijk, die de naam Riethorst draagt. Bij Kiste Trui thuis werden bovenstaande verhalen 's avonds, als het gezin bij de "vuurkuil", de huiselijke haard, was gezeten verteld bij de voorkeur als de donkere wolken zich samenpakten aan de hemel en donder en bliksem hun angstaanjagend spel speelden boven de behuizingen van het dorp.

Zij hoorden ook het verhaal over de soldaten, die op hun vlucht jammerlijk verzonken waren in de nabije moerassen en die niets meer konden vertellen over de begraven schatkist. Toch was er een man, die aan de dood ontsnapt was en ook getuige was geweest van het verdonkeremanen van de zware kist met goudstukken en geroofde schatten. Nog tijdens de slag probeerde hij de kist uit de grond te halen, maar hij werd bij zijn graafwerk door de Spanjaarden betrapt. Zij knoopten hem aan een boom, zonder dat zij hem de kans gaven te vertellen wat hij aan het zoeken was.

Zij hoorden ook het verhaal over een man, die vele jaren als lid van het gilde der schatgravers op zoek naar de kist. Hij had succes, want op een gegeven ogenblik stiet met een snerpend geluid zijn spade op het ijzeren beslag dat de houten kist omvatte. Maar in zijn enthousiasme vergat hij de strenge wet die voor schatgravers gold: bij het graven mocht er geen woord gesproken worden. Hij riep uit: "ik heb ze in de hand." Toen verscheen daar een rood mannetje (het moet wel een duiveltje geweest zijn) dat schamper antwoordde: "Maar ik heb ze in de tand" en het trok de kist verder de diepte in. Dit laatste werd door Trui (heeft ze in de vorige eeuw geleefd of vroeger?) een wekroep die dag en nacht niet meer verstomde. Bij tij en ontij trok zij erop uit, met in haar hand de spade en in haar hart het verlangen naar goud. De wereld rondom interesseerde haar niet meer, zij versimpelde en werd alleen nog maar Kiste Trui. Iedereen kende haar zo en iedereen zag haar zo, met de spade in haar hand turend naar de lokkende grond rondom de Riethorst. Zij groef hier en speurde daar, met telkens in haar binnenste de vrees voor het rode mannetje, dat de kist nauwlettend bewaakte. Wist maar iemand die dat mannetje zou kunnen bezweren!! Als de pastoor eens zou willen mee graven, voor hem zou dat duiveltje toch wel bang zijn?

Zij toog naar de pastorie, voorzichtigheidshalve zonder spade en stelde schuchter haar vraag. Maar de overigens vriendelijke, pastoor ging niet op haar verzoek in. Hij wist niet of zijn vroomheid toereikend was om de macht van de boze te keren en, zo zei hij, zijn handen stonden niet naar graafwerk en hij was daartoe ook niet opgeleid. Trui ging terug naar huis, nam de spade weer op en hervatte, alleen, haar graafwerk. Teleurgesteld, maar niet ontmoedigd. Trui groef door en zij is tot haar dood de gravende gebleven. Vlak voor haar slapen zou zij hebben gezegd: "Nu komt het rode mannetje niet meer." Daarmee stelde zij het sein op groen voor allen: Mookenaren en vreemdelingen die verder willen graven. Zij kunnen het ongestoord doen. De kist is er nog en het duiveltje komt niet meer. Trui heeft het zelf gezegd.

 

Aldus pastoor Th. Thijssen, juni 1976